Watersnoodramp 1953

In de nacht van 31 januari op 1 februari 1953 ging het volledig mis in Zuidwest Nederland. Een zware storm in combinatie met springtij veroorzaakte op meerdere plaatsen dijkdoorbraken, waardoor laaggelegen polders overstroomden. Veel mensen kwamen bij deze ramp om het leven. Ook de drinkwatervoorziening raakte ontregeld. De waterbedrijven in Zeeland en Zuid-Holland moesten snel handelen om de inwoners van drinkwater te kunnen voorzien en zo de uitbraak van besmettelijke ziektes te voorkomen.


De inspectie van waterleidingen gebeurde wadend. Niet zonder gevaar! (foto: N.V. Waterleiding Maatschappij Zuid-Beveland).
VERNIELING VAN HET LEIDINGNET

De dijkdoorbraken veroorzaakten enorme stroomgeulen in de zeekleipolders. Het kolkende zeewater vernielde huizen en infrastructuur. De Zeeuwse drinkwaterleidingbedrijven kregen te maken met grote drukverliezen. Weggespoelde leidingen zorgden voor lekkages en ook de hoofdtransportleiding vanaf het pompstation Ossendrecht richting Goes raakte zwaar beschadigd. De waterleidingmaatschappijen zetten alles op alles om voldoende overdruk op de leidingen te houden, zodat er geen instroom van zeewater in het net zou plaatsvinden. Soms was er zelfs een duikteam voor nodig om afsluiters te kunnen bedienen. In het kolkende water moesten zij op de tast de juiste afsluiters zien te vinden.


De brug in de Oude Grindweg te Kruiningen stortte in. Water- en gasleidingen raakten daarbij zwaar beschadigd. (foto: N.V. Waterleiding Maatschappij Zuid-Beveland).
OVERSTROMING VAN GEBOUWEN

Daags na de ramp probeerden de drinkwaterbedrijven de problemen te inventariseren en de schade te herstellen. Dat was niet eenvoudig: veel gebieden waren onbereikbaar en inspecties te voet waren gevaarlijk. Opjaagstations en pompstations stonden onder water. Doordat de opjager in de Sloedam buiten werking raakte, kon er bijvoorbeeld geen water meer naar Walcheren worden geleverd.


Tijdens de watersnood in 1953 kwamen de gebouwen van de drinkwaterleiding onder water te staan, zoals de opjager in Zierikzee (foto: Zeeuws Archief, Beeldbank Schouwen-Duiveland, nr A-2050A).
NOODVOORZIENINGEN

Er werden allerlei maatregelen genomen om de bevolking zo snel mogelijk van drinkwater te voorzien. Boten en tankwagens voerden drinkwater aan vanuit Rotterdam en Zeeuws Vlaanderen. De watertoren van Goes diende tijdelijk als noodreservoir, waar inwoners emmers drinkwater konden afhalen. Op Noord Beveland bestond nog geen centrale drinkwatervoorziening; de inwoners waren aangewezen op hun eigen waterputten, maar die waren allemaal volgelopen met zout water. Om Noord Beveland toch van drinkwater te kunnen voorzien, werd een PVC noodleiding door de Zandkreek aangelegd. Ook Bruinisse kreeg drinkwater via zo’n noodleiding.


Aanleg van een noodwaterleidinbg in de omgeving van Den Osse (foto: Zeeuws Archief, beeldbank Schouwen-Duiveland, nr. A-2013).
AANVOER PER SCHIP

Een belangrijk onderdeel van de noodvoorziening bestond uit de grootschalige aanvoer van drinkwater per schip. De Gemeentelijke Drinkwaterleiding (DWL) van de gemeente Rotterdam had destijds negen waterboten in gebruik voor de levering van drinkwater aan zeeschepen. Deze schepen werden direct ingezet voor transport van drinkwater naar het rampgebied. De vloot werd in korte tijd uitgebreid tot dertig schepen, die samen ongeveer 200.000 m³ drinkwater aanvoerden. Sommige boten maakten bijna honderd overtochten tussen Rotterdam en Zeeland. Grote tankers losten hun water in Middelburg en in de oude haven van Zierikzee, van waaruit het met kleinere schepen en tankwagens verder het gebied in werd gebracht.


Distributie van drinkwater in Nieuwerkerk (foto: Nationaal Archief, Fotocollectie Anefo).
HULP VAN HET LEGER

De drinkwaterbedrijven legden op tal van plaatsen noodtransportleidingen aan. Voortdurend bleef aandacht nodig: bij iedere getijslag werden de stroomgeulen breder en dieper, waardoor pas herstelde leidingen opnieuw gingen lekken of wegspoelden. In de omgeving van Kruiningen lieten houten stutten die vijftien meter de grond in waren geslagen zelfs los doordat ze loskwamen van de bodem van een stroomgeul. Uiteindelijk schoot het leger te hulp en plaatste noodbruggen, waarover de transportleidingen konden worden aangelegd.


Baileybrug bij Kruiningen, aangelegd door het leger. Over de brug loopt de noodtransportleiding (foto: N.V. Waterleiding Maatschappij Zuid-Beveland).
PROBLEMEN IN DE DUINEN

In de duinen ontstond een ander probleem: door het binnenstromende zoute water raakten de zoetwatervoorraden in de waterwingebieden van Middelburg en Vlissingen verontreinigd. In Domburg werd een nooddrinkwaterwinning aangelegd. Amerikaanse zuiveringsinstallaties maakten het water geschikt voor consumptie. Het zou nog vele jaren duren voordat de reguliere waterwingebieden weer in gebruik konden worden genomen.